-A A +A

Casteau. Van vliegveld tot SHAPE. Deel I.

Casteau, 1 november 2011. In dit dorp in Henegouwen, een deelgemeente van Soignies, op het terrein van het vroegere militaire Camp de Casteau, is sinds 31 maart 1967 SHAPE (Supreme Headquarters Allied Powers in Europe) gevestigd. Sinds de oorlog in Libië komen SHAPE en Casteau wel vaker in het nieuws. Ik sta aan de hoofdingang van SHAPE, aan de Rue Grande. Twee locaties op dit uitgestrekte terrein werden ooit als vliegveld gebruikt. Hangar Flying blikt even terug op de geschiedenis van Casteau, een van de eerste Belgische vliegvelden en jarenlang thuisbasis van de Aéro-Club du Hainaut (ACH).
 
In de onmiddellijke buurt van de hoofdingang van SHAPE is het maar een trieste bedoening: verlaten huizen, druk verkeer en handelszaken die betere tijden hebben gekend. Een paar kilometer verder ligt het eigenlijke dorpscentrum van Casteau, charmant en stil bij een kerk. Ik maak een tocht rond het domein van Casteau dat vooral is ingenomen door villa’s. Een paar keer probeer ik een gesprek aan te knopen maar het zijn doorgaans Engelstalige passanten die hier tijdelijk wonen en werken voor SHAPE. Het verleden van deze site is hun zorg niet. Eigenaardig is wel dat iedereen spreekt over het Camp de Casteau, maar dit is eigenlijk gelegen op het grondgebied van de gemeenten Masnuy-St-Jean, Masnuy-St-Pierre, Les Bruyères en Maisières.
 
1909, het begin van een vliegveld
De Aéro-Club de Belgique kreeg, dankzij het Koninklijk Besluit van 24 februari 1909, de toelating om een deel van het oefenterrein van Casteau te gebruiken om testen uit te voeren met luchtvaarttuigen. Heel wat amateurs en ingenieurs die meenden dat ze de ideale vliegmachine hadden uitgevonden, hadden ook nood aan een veld om ongestoord te experimenteren.
 
Het vliegveld was een grasland van ongeveer 200 ha. Volgens de Annuaire 1911 van de Aéro-Club de Belgique was het slechts 1 uur en 20 minuten per trein tussen Brussel Centraal en Mons, daarna was er een lokale tramverbinding naar Casteau.
 
Tussen mei en juli 1909 werd een houten loods (14 x 15 meter) opgetrokken en een buffet. Op een zijgevel van die loods en op het dak van het buffet was publiciteit aangebracht. Zij die wensten te vliegen boven het terrein moesten een aanvraag indienen bij het secretariaat van de Aéro-Club de Belgique.
 
De eerste houten gebouwen op het vliegveld van Casteau (locatie 1 op de kaart). Links zien we de loods, rechts de bar. Merk de publiciteit op beide gebouwen. (Archief Jean-Pierre Lauwers)
 
Deze eerste gebouwen bevonden zich in de buurt van de Rue de Binche en de Rue Brisée, nabij het kruispunt met de Rue du Foyau (nummer 1 op de Google-kaart). Op het kruispunt werd het Café de l’Aviation uitgebaat. Zoals ook nabij andere vliegvelden het geval was (denk maar aan het etablissement A l’Aviation in Sint-Agatha-Berchem) wou de middenstand een flink graantje meepikken van de groeiende belangstelling voor de prille luchtvaart.
 
Kaart van de regio rond SHAPE met daarop de locaties van het eerste vliegveld (1, in de buurt van de Rue de Binche en de Rue Brisée, nabij het kruispunt met de rue du Foyau), de loodsen uit 1914 (2) en het vliegveld van de Aéro-Club du Hainaut (3). (Google Maps)
 
Op 2 augustus 1909 werden de installaties van de Aéro-Club du Hainaut ingehuldigd door hun voorzitter, graaf Vilain XIIII. Vliegen was moeilijk omwille van het slechte weer, maar het selecte publiek kon toestellen bewonderen zoals de zwever van Albert Juveneau en de eerste ornithopter van Adhémar de la Hault. De ornithopter was gebouwd met de hulp van Henry Villard, de man die zijn toestellen ook zou testen op de binnenplaats van het gemeentehuis in Schaarbeek. Van 6 tot 20 augustus kon het publiek in Casteau naar de testen komen kijken van Belgische constructeurs als Ernest-Oscar en Maurice Tips en Marchand. Van echt vliegen was amper sprake, de testen beperkten zich doorgaans tot wat bokkensprongen op de militaire vlakte.
 
Het vliegfeest van 1910
Op 20 september 1910 organiseerde de Aéro-Club du Hainaut terug een vliegfeest. Het slechte weer verstoorde de feestelijkheden maar een dag later werd dit goedgemaakt. Die dag vloog Alfred Lanser met een Farman tweedekker, met Albert Bracke als passagier, van Braine-le-Comte (vertrek 18.05 uur) naar Casteau (aankomst 18.45 uur). In de namiddag maakte Lanser nog een tochtje rond Casteau met baron de Crombrugghe de Looringhe als passagier. Ook de volgende dagen maakte Lancer verschillende vluchten, ondermeer met graaf Vilain XIIII, de voorzitter van de Aéro-Club du Hainaut. Op 26 september vertrok hij met baron de Crombrugghe de Looringhe van Casteau naar Namur, het tweetal landde in Rebecq. Op 9 oktober en 21 november ging de eendekker Arnal overkop in Casteau. Dit soort van incidenten, meestal zonder dodelijk afloop, was schering en inslag.
 
Testvliegen
Casteau moet een mekka voor ‘testpiloten’ zijn geweest. Het publiek kon zich vergapen aan de Tips & Vleminckx. Het was een soort helikopter maar het kon omgebouwd worden tot eendekker of tweedekker. Tests werden al uitgevoerd in augustus 1908. Origineel draaide één schroef in horizontale as, twee in verticale as. We kunnen het een voorloper noemen van de convertiplane. De wielen konden vervangen worden door een soort van sleeën, te gebruiken op alle terreinen. Alle schroeven werden aangedreven door eenzelfde motor. Het toestel van ongeveer 700 kg, was duidelijk te zwaar voor de motor en het ontwerp was dus niet succesvol.
 
De eendekker van Albert Bracke en zijn assistent Misson woog slechts 360 kg. Het had een aluminium skelet en werd aangedreven door een Anzani van 40 pk met één schroef. De bouw werd beëindigd op 30 augustus 1910. Het vloog op 8 september 1910 maar een vleugel werd omwille van een te sterke zijwind al tijdens de eerste proeven vernield. Het toestel werd hersteld en er werden drie exemplaren van gebouwd. Albert Bracke woonde in Obourg, amper een vijftal kilometer ten zuiden van Casteau. Hij schreef ondermeer voor L’Année Aéronautique Belge, daarvoor maakte hij ook prachtige foto’s. In Obourg woonde ook Adhémar de la Hault, vliegtuigbouwer en schatbewaarder van de Koninklijke Belgische Aeroclub. De la Hault was uitgever van het maandblad L’Aéro-Mécanique.
 
De ornithopters  van Adhémar de la Hault hadden klapwiekende vleugels, ze bootsten eigenlijk de vlucht van de vogels na. Het eerste type werd in 1908 gebouwd door Miesse, een Brusselse producent van vrachtwagens. Het was uitgerust met een motor van 100 pk en woog 400 kg. Het tweede type had als optie een schroef vooraan die haar nut moest bewijzen bij het opstijgen. Testen vonden plaats vanaf september 1910. Volgens de Annuaire 1911 van de Aéro-Club de Belgique heeft de ornithopter van Adhémar de la Hault op 2 september 1910 proberen te rijden door met de vleugels te klappen. Op 15 november gaat het toestel echter overkop in Casteau.
 
De monoplan Mistral was een zweefvliegtuig dat getest werd tussen 1 en 19 oktober 1910. Op die laatste datum ging het overkop en het werd niet meer hersteld.
 
In april 1911 maakte de Fransman Henri Molla, ook instructeur bij de vliegschool in Sint-Job-‘t-Goor, in Casteau enkele vluchten met een tweedekker.
 
Op 14 september 1911 verliet de vierdekker Bataille met Pierre Brabant aan de stuurknuppel voor het eerst de loods. Na een twintigtal meter ging het toestel al overkop, zonder erg voor de piloot.
 
Op 21 september 1911 werd terug de roll out gemeld van de vierdekker van Bataille en ook van de derde eendekker van Bracke. Op 1 december werd het onderstel getest van het nieuwe toestel van Bracke. Op 4 december volgen nieuwe testen met de Bataille. Als een week later de testen van de vierdekker nog steeds geen positieve resultaten geven, wordt beslist om het toestel om te bouwen tot een driedekker.
 
Op 26 september 1911 gaat de eendekker van de gebroeders Behaeghe, gepiloteerd door Duyck, volledig overkop. De motor werd vernield maar de piloot was gelukkig ongedeerd.
 
Nog andere toestellen werden getest zoals de tweedekker van de Fransen Alberto en Emilio Bonnet- Labranche, de zwever van Albert Jouveneau, de tweedekker van de gebroeders Aimé en Joseph Behaeghe (september 1911) en de driedekker Bataille-Brabant die het laatste geteste vliegtuig zou zijn geweest (eind 1911).

De Tour Aérien de Belgique van 1911
Op 20 mei 1911 werd in Mons de maatschappij Mons-Casteau Aviation opgericht. De voornaamste bedoeling was de eerste etappe van de Tour Aérien de Belgique naar Casteau te halen. Daarvoor moest de maatschappij 35.000 BEF op tafel kunnen leggen. De stad Mons schonk 5.000 BEF. Er werden 1.200 aandelen verkocht van 25 BEF die recht gaven op gratis ingang.  En inderdaad,dat jaar werd het Camp de Casteau het eindpunt van de eerste etappe van ‘de Tour’ (Brussel/St. -Agatha-Berchem – Mons/Casteau) en startplaats voor de tweede etappe Mons/Casteau-Tournai. Zo’n organisatie was een hele commerciële bedoening want er kwamen duizenden toeschouwers die natuurlijk voor heel wat vertier zorgden.
 
De Tour Aérien de Belgique werd georganiseerd van 6 tot 23 augustus 1911. Volgende etappes moesten worden afgelegd: Brussel-Mons (6 augustus), Mons-Tournai (8 augustus), Tournai-Blankenberge (10 augustus), Blankenberge-Antwerpen (12 augustus) en Antwerpen-Brussel (15 augustus). Op de verschillende landingsplaatsen werden competities georganiseerd. In Mons loonde de Aéro-Club du Hainaut 1.200 BEF uit om rond het Belfort van Mons te cirkelen, 300 BEF voor de winnaar van de hoogtevlucht, 1.000 BEF voor de duurvlucht en 500 BEF voor de langste vlucht met een passagier en een vlucht rond het 10 kilometer oostelijker gelegen kasteel van Le Roeulx. 
 
De toegangsprijs was vijf frank voor de tribunes en een frank voor het grasperk. Een gesloten parking voor de toen nog zeer zeldzame wagens werd geïnstalleerd in het dorp van Casteau. Voor twee frank kon daar een wagen geparkeerd worden.
 
Dit soort van kaarten werd te koop aangeboden op luchtvaartmeetings. De foto werd niet op het vliegveld van Casteau genomen. (Archief Frans Van Humbeek)
 
Van de achttien ingeschreven deelnemers waren er tien Belgen. Slechts twaalf deelnemers meldden zich aan de start in Sint-Agatha-Berchem. In Enghien en Châtelet waren controlepunten waar moest geland worden, in Nivelles en Beaumont moest het wedstrijdnummer op het vliegtuig vanop de grond herkend worden.
 
De eerst dag (6 augustus 1911) werden de deelnemers bij de start gehinderd door het slechte weer. Enkel Alfred Lanser met zijn Deperdussin eendekker (19.55 uur) gevolgd door Jules Tyck met de Blériot eendekker (20.07 uur) komen op zondag 6 augustus aan in Casteau. Ze worden opgewacht door een grote enthousiaste menigte. Léon Parisot verongelukte zijn toestel in Manage, ten noordoosten van La Louvière, en zou pas veel later de Tour de Belgique kunnen vervoegen.
 
De 17-jarige Henri Crombez komt op maandag 7 augustus om 17.04 uur aan (Sommer eendekker), echter zonder de controlepunten te passeren. Fernand Lescarts was zondag vertrokken (Farman eendekker). Na drie noodlandingen besloot hij dat het welletjes was en in Anderlecht overnachtte hij in een klooster. Op maandag landde hij in Casteau om 17.05 uur.
 
Op maandag waren er in Casteau nog meer nieuwsgierigen aanwezig dan zondag. Ze volgden de vluchten van de vier aanwezige piloten. Crombez, Lanser, Lescarts en Tyck streden voor de prijzen die werden uitgeloofd door de Aéro-Club du Hainaut. Lescarts won de prijs voor de langste vlucht en voor de langste vlucht met een passagier. Tyck klom het hoogste, Lanser won de prijs voor de vlucht om het kasteel van Le Roeulx en van het belfort.
 
Bij het terugkeren van zijn vlucht om het belfort mistte Crombez zijn landing. Een landingspoot bleef in het zand steken. Het toestel stopte bruusk en de schroef raakte de grond. Het vliegtuig werd hersteld voor het vertrek van ’s anderendaags. Lescarts verliet de wedstrijd in Casteau maar was toch tevreden met het behaalde resultaat. 
 
Neusstand van Henri Crombez in 1911 op het vliegveld van Casteau. (L’Année aéronautique Belge via Jean-Pierre Decock)
 
Op dinsdagmorgen 8 augustus kwam ook Joseph d’Hespel aan op Casteau (eendekker Deperdussin). Vandaar vertrok het gezelschap voor de tweede etappe. Lanser vertrok om 17 uur, Tyck vijf minuten later. Om 17.10 uur wou Crombez starten. Het herstelde toestel was nog niet getest. Vanop een dertigtal meter hoogte stortte het vliegtuig neer. Crombez was bewusteloos, zijn rechtervoet zat geklemd maar hij kon snel bevrijd worden. Hij werd op het gras gelegd en een dokter bekommerde zich om de piloot. Hij leek niet ernstig gekwetst te zijn.
 
Vertek van Alfred Lanser op Casteau, dinsdag 8 augustus 1911. Merk de vlag van de Aéro-Club de Belgique. (Fonds d’Archives Photographiques sur Mons d’André Faehrès, collection privée)
 
Slechts vijf van de achttien deelnemers zouden de Ronde van België uitvliegen. De 22-jarige Jules Tyck werd de winnaar, hij kreeg 20.000 goudfranken. Tyck was ook de enige die tijdens alle etappes alle controles perfect had gepasseerd. De tweede werd Alfred Lanser, derde Joseph d’Hespel, vierde Henri Contenet (Wright Avia tweedekker) en vijfde Léon Parisot (Farman tweedekker). Parisot had tijdens de derde etappe een vervangtoestel gevonden in Antwerpen, hij vervoegde zijn concurrenten in Blankenberge en hernam de wedstrijd. Reeds tijdens de eerste etappe had hij na het controlepunt van Enghien een landing moeten maken omdat hij de weg kwijt was. Bij het opstijgen had hij een kind moeten ontwijken en daardoor was zijn toestel beschadigd.
 
En na de Ronde…
De Wereldtentoonstelling van 1913 vond plaats in Gent. Henri Crombez vloog vanuit Gent naar vele plaatsen met luchtpost, ondermeer naar Casteau.
 
In de L’Indépendance Belge van 25 februari 1914 was te lezen dat er een nieuw centrum voor de militaire luchtvaart zou geopend worden in Casteau. Volgens dit krantenbericht had de dienst Bruggen en Wegen de militairen van Casteau verwittigd dat nog in de loop van de week zou begonnen worden met de bouw van twee metalen en bakstenen loodsen voor een smaldeel militaire vliegtuigen. Op 16 juli schrijft die krant dat de werken al ver gevorderd zijn en vermoedelijk begin augustus worden afgerond. Of ze ooit volledig zijn afgewerkt is moeilijk te achterhalen. Op 4 augustus 1914 vielen de Duitse legers België binnen. Mogelijk was op dat moment enkel de metalen structuur van de loodsen afgewerkt. In ieder geval is de metalen structuur later gebruikt voor loodsen die nu nog altijd gebruikt worden.
 
De loodsen met een metalen structuur die in 1914 werden gebouwd en vermoedelijk slechts gedeeltelijk werden afgewerkt. Deze foto werd na WOI genomen. De man op de postkaart is ook de uitgever van deze kaarten, hij liet zich graag zelf fotograferen voor zijn postkaarten. (Archief Frans Van Humbeek)
 
De loodsen uit 1914 (zie postkaart), gefotografeerd in november 2011. (Foto Frans Van Humbeek)
 
We hebben in Casteau geen sporen gevonden van luchtvaartactiviteiten tijdens de Eerste Wereldoorlog.
 
Initiatieven voor de burgerluchtvaart
In hoeverre het vliegveld na WOI actief gebruikt werd is onduidelijk. Aan initiatieven om de burgerluchtvaart in de buurt van Mons en in Casteau te doen groeien was er echter geen gebrek.
 
In ieder geval kon de vroegere locatie van het vliegveld niet meer gebruikt worden. Op de plaats van het eerste vliegveld werd een nieuwe kazerne en een grote garage gebouwd. De twee loodsen die in 1914 waren gebouwd bleven in gebruik.
 
René Warmont uit Mons stelde op 7 november 1930 aan de minister van verkeerswezen voor om een vliegtuigverbinding te beginnen tussen Brussel-Mons (Casteau)-Paris. Directeur-generaal Van Crombrugge van het Beheer der Luchtvaart (Administration de l’Aéronautique), nodigde Warmont uit om zijn plannen te komen voorstellen in Brussel. Het bleef bij enkele goedbedoelde voorstellen.
 
Op 29 oktober 1931 organiseerde René Warmont met Kpt Cdt Vl Robin reeds een zweefvliegdag in Casteau. Het was een initiatief van de Cercle Equestre de Mons. De organisatoren kregen daarvoor toelating van de minister van defensie. Vanaf 14 uur zag het publiek de zwevers starten met behulp van de sandow, zwevers gebouwd door SEGA in Charleroi.
 
Warmont en Robin hadden de smaak goed te pakken want op 24 december 1931 dienden ze een aanvraag in om toerismevluchten te starten op het domein van Casteau. Op 8 maart 1932 meldde de directeur-generaal van het Beheer der Luchtvaart aan de minister van defensie dat het college van de gemeente Maisières 25 ha ter beschikking stelde in het Camp de Casteau voor de aanleg van een vliegveld. Volgens Van Crombrugge zou dat vliegveld nuttig zijn als noodlandingsplaats voor de luchtlijn Brussel-Parijs. Interessant is de naam van de burgemeester, graaf Adrien Vilain XIIII, voormalig voorzitter van de Aéro-Club du Hainaut.
 
De post ging vlug in die dagen. Nog dezelfde dag bracht het ministerie van defensie negatief advies uit op de vraag van René Warmont en Kpt Cdt Vl Robin om een deel van het terrein van Casteau te gebruiken voor lesvluchten en toerismeluchtvaart, ondermeer omwille van de weiderechten die de landbouwers er bezaten.
 
Op 19 maart 1932 vroeg ook de Club Universitaire de Vol sans Moteur L’épervier (Mons) om Casteau op zondagen te mogen gebruiken voor testen met zweefvliegtuigen. Vermoedelijk werd hier nog geen positief advies verleend, zeker is dat niet. Toch heb ik de indruk dat zweefvliegen het terrein bleven gebruiken, zelfs zonder officiële toelating.
 
Twee jaar later wou de heer de Rycke van de Société Icaros uit Brussel, een vliegmeeting organiseren in Casteau. De man kreeg o.a. steun van het stadsbestuur van Mons. In een brief van 13 april 1934 antwoordde directeur Daumerie van het Beheer der Luchtvaart dat dit onmogelijk kon toegestaan worden omdat de militaire autoriteiten geen burgerluchtvaart tolereerden in de buurt van de aldaar gebouwde munitieopslagplaats. Toch kwam er een eerste opening naar de burgerluchtvaart toe. De militaire autoriteiten wilden namelijk vluchten zonder motor in overweging nemen. Een tweede voorwaarde was dat er geen gebouwen mochten opgetrokken worden. Op 14 mei 1934 deelde de burgemeester van Mons mee dat Casteau niet kon gebruikt worden voor een meeting met luchtacrobatie, wel voor een manifestatie met zweefvliegtuigen. Daumerie was zeker een bekende bij de piloten van Casteau en Chièvres. Hij was afkomstig van Brugelette bij Chièvres, 20 km ten noordwesten van Casteau. Na de Tweede Wereldoorlog wilden leden van de Aéro-Club de Casteau trouwens een gedenkplaat voor Daumerie inhuldigen op het vliegveld van Casteau.
 
Op 12 mei 1935 probeerde René Warmont een nieuwe aanvraag voor een vliegveld in te dienen. Hij vroeg Lt Gen Gillieaux, Commandant van de Militaire Luchtvaart, om Casteau te gebruiken als burgervliegveld. Warmont schreef dat het terrein goed bereikbaar was en dat er inderdaad een munitieopslagplaats gelegen was op het terrein van Masnuy-Saint-Pierre. Warmont verdedigde zijn aanvraag door erop te wijzen dat andere grote steden zoals Gent wel de beschikking kregen om vliegvelden in te richten op militaire terreinen. Andere locaties zoals Beverlo hadden een munitieopslagplaats op het grondgebied of op nog andere (Haren-Evere) waren strikte reglementeringen van toepassingen voor het luchtverkeer.
 
Op 25 juni 1935 deelde de minister van landsverdediging mee dat hij geen bezwaar zag om het militair domein van Casteau op zondagen en op weekdagen na 18 uur te laten gebruiken door de burgerluchtvaart. Het munitiedepot moest goed gemarkeerd worden en start- en landingsroutes mochten er niet overheen gaan. Militaire activiteiten hadden in alle geval voorrang op de burgerlijke vluchten. Het licht werd op groen gezet voor de Mons Aviation Club asbl, gesticht in Mons op 10 januari 1936. Dat jaar werd stilaan een terrein in gebruik genomen in de buurt van de Rue Grande, ongeveer op de plaats van de huidige hoofdingang van SHAPE.
 
In mei meldde Emile Beullens, vice-voorzitter van de Mons Aviation Club, in de Journal La Province dat er te veel problemen waren met het veld van Casteau en dat het daarom niet verder in gebruik kon genomen worden. Een dubbele bomenrij maakte het vliegen onveilig, er waren voortdurend wandelaars en motorliefhebbers op het plein, dure nivelleringswerken waren nodig, enz. De bestuursleden van de club waren het veld van nabij gaan bekijken. Als alternatief wees Beullens een terrein aan in Erbisoeul dat door de Duitsers was ontbost. Het terrein was eigendom van prins Henri de Croij. Er waren verdere contacten met het Beheer der Luchtvaart voor de mogelijke ingebruikname van Erbisoeul als vliegveld maar de oorlogsdreiging zou alle burgerlijke luchtvaartactiviteiten echter snel afremmen.
 
Samengevat kunnen we stellen dat tussen de twee wereldoorlogen het terrein van Casteau af en toe gebruikt werd door zweefvliegtuigen, de motorvliegerij vond er moeilijk een eigen plaats.
 
Tweede Wereldoorlog
Tijdens de schaduwoorlog werden er meermaals Belgische grondeenheden gelegerd in het dorp Casteau. Er zijn geen aanwijzingen dat het ook voor de militaire luchtvaart zou gebruikt zijn. Op 12 mei 1940 had de eerste intergeallieerde conferentie plaats die doorging in het kasteel van generaal baron Donnay in Casteau. De conferentie werd voorgezeten door Koning Leopold III. De Duitse bezetter zou het Camp de Casteau gebruiken voor reparatieateliers en voor het herbergen van gevangenen. Na de bevrijding op 3 september 1944 werden de gevangenen van het verzet hier vastgehouden. Een van die ongelukkigen was Albert Bracke. Hij was van Duitse afkomst en had vertaalwerk gedaan voor de Duitsers. Bracke zou omgekomen zijn door de slechte behandeling in het kamp. Vanaf oktober 1944 werd Casteau een groot interneringskamp.
 
Na de Tweede Wereldoorlog tot SHAPE
In de eerste maanden na het beëindigen van de Tweede Wereldoorlog was het grootste deel van het Camp de Casteau echter een onbeveiligd militair terrein, een paradijs voor natuurliefhebbers en wandelaars.
 
Op een algemene vergadering in café Novada op de grote markt in Mons werd op 6 maart 1950  beslist om de naam Mons Aviation Club te vervangen door Aéro-Club du Hainaut à Mons (ACH). Dr. Jean Hubert werd de voorzitter, Roger Doucet en Robert Save werden elk vice-voorzitter, Fernand Rousseau schatbewaarder en Paul Everard secretaris. De club gebruikte Chièvres nog altijd als thuisbasis.
 
Op 6 maart 1950 gaat de club ermee akkoord om een Grunau aan te kopen die geleverd wordt door de firma Constructions Aeronautiques Belges (Ets. Denuit?) uit Jumet, levering eind mei 1950. Ook een Ford-lier staat op het bestellijstje. Vanuit Casteau en vanuit het ministerie van defensie werd op 15 juli 1950 al een akkoord gegeven aan ACH om gronden van het Camp de Casteau  te gebruiken voor vliegactiviteiten.  Cogea stelde een SG-38 ter beschikking.
 
In mei 1950 kocht de vliegclub in Esch sur Alzette, in het zuiden van het Groothertogdom Luxemburg, de Piper Cub J3C-65/L-4A Cub OO-MOA, een Grunau Baby, twee Schneider SG-38 en accessoires voor een totaal van 75.000 BEF. Hubert en Doucet gingen de Grunau Baby en de Piper Cub in Esch s/Alzette halen. Doucet vloog in de Piper naar Chièvres, Harry Ferdinand (monitor in Esch sur Alzette) nam plaats in de zwever. Rousseau bracht later de twee SG-38 van Esch naar Chièvres.
 
Op 27 november 1950 ontving de club het bericht dat de eerste werken voor een vliegveld in Casteau waren gestart. We spreken nu over een vliegveld dat zich aan de Rue Grande bevond, zowat aan de hoofdingang van de huidige SHAPE (nummer 3 op de Google-kaart).
 
Op 19 april 1951 werd de betaling van een Aeronca vermeld. In mei-juni 1951 kreeg Maj Tony Ronveaux de opdracht om Chièvres terug uit te bouwen tot een volwaardige militaire basis, de burgerlijke luchtvaart was er niet langer welkom. Er moest een definitieve oplossing gezocht worden voor de Aéro-Club du Hainaut die Chièvres nog deelde met de militairen.  Vanaf september 1951 zien we dat de Aéro-Club du Hainaut nog altijd haar maatschappelijke zetel in Mons heeft maar als vliegveld werd nu Casteau opgegeven. De voorzitter was Dr. Hubert en secretaris Degauquier, een textielhandelaar. Onderhoud kon gedaan worden door mecanicien 1/Sgt Lheureux uit Brugelette van het 8e Smaldeel.
 
In 1951 werd het terrein van Casteau al gebruikt als landingsplaats. Op 15 augustus 1951 vloog de Piper OO-MOA voor het eerst naar Casteau, vanaf september vrij regelmatig. Voordien werd altijd Chièvres gebruikt. Ook de Aeronca Champion OO-GIO maakt in augustus 1951 al diverse vluchten naar Casteau.
 
In oktober 1951 kon instructeur Jimmy Bogaerts de eerste leerlingen opleidingen, nog steeds in Chièvres. Omdat de Piper Cub OO-MOA moest voorzien worden van een nieuwe bekleding werd in augustus al de Aeronca 7AC Champion OO-GIO aangekocht. De club telde 15 gebrevetteerde piloten en de eerste 12 maanden werd 504 uur gevlogen.
 
Maj Ronveaux was op 8 november 1951 aanwezig op de bestuursvergadering van de Aéro-Club du Hainaut, waar hij informatie kwam verschaffen over het gebruik van Casteau als vliegveld. Hij stelde voor om het vliegveld op de lijst van reservevliegvelden te plaatsen. In La Dernière Heure van 29 december 1951 werd gemeld dat in aanwezigheid van lokale grondeigenaars was begonnen met de afbakening van het militair domein, zonder de nodige toelatingen zou het niet meer toegankelijk zijn voor burgers.
 
Op 31 december 1951 beschikte de club over de Piper Cub OO-MOA (waarde toen 25.000 BEF), de Aeronca OO-GIO (35.000 BEF), een Grunau Baby (7.500 BEF), een Ford-lier (10.000 BEF) en twee vernielde zwevers SG.38 (2.000 BEF), aldus een schrijven van 8 november 1952 aan de Dienst Domeinen. Enkele vliegtuigen werden eveneens door hun eigenaar ter beschikking gesteld van de club.
 
In januari 1952 was de loods in Casteau bijna afgewerkt. Er werd gevraagd om de Aeronca OO-GIO voorlopig nog op Grimbergen te stallen. Ook de Piper Cub OO-MOA wachtte in Chièvres tot de werken in Casteau waren beëindigd.
 
In den beginne verliep de samenwerking met de militaire overheid niet altijd even gemakkelijk. Kol Vl Van Rolleghem meldde op 18 februari 1952 dat de burgervliegtuigen die Casteau gebruikten niet de gepaste discipline aan de dag legden. De datum is merkwaardig, de diensten van de burgerluchtvaart hadden op dat moment nog niet de toelating gegeven om het vliegveld te gebruiken.
 
De toch wel moderne infrastructuur van de ACH die in maart 1952 officieel in gebruik werd genomen. Merk o.a. het torengebouw, de letters ‘Mons’ op het dak van de loods en de brandstofpomp uiterst rechts. (Archief Michel Ronveaux)
 
Pas op 3 maart 1952 gaf het ministerie van verkeerswezen aan de Aéro-Club du Hainaut, vertegenwoordigd door zijn voorzitter Dr. Hubert, de toelating het vliegveld in gebruik te nemen. Het terrein met afmeting 700 x 156 m had een startbaan van 500 x 96 m, richting 08/26. Het veld mocht enkel overdag gebruikt worden voor toestellen lichter dan twee ton. Er werd een contract afgesloten met Esso Standard – Service Aviation voor een brandstofpomp en brandstoftank. Omdat de toren en de bar van het vliegveld niet altijd bemand is, werden de sleutels van de loodsen aan Cyrille gegeven, de uitbater van een café aan de overkant van de straat. Er werd een telefoonlijn aangelegd voor het vliegveld. De hoofdpost stond in de bar, de tweede telefoon in het torengebouw. 1/Sgt Lheureux kwam met enkele collega’s naar Casteau om markeringen aan te brengen, de naam ‘Mons’ werd op het dak van de loods geschilderd. De militaire overheid had verschillende voorwaarden verbonden aan zijn toelating. Zo moest het terrein altijd toegankelijk zijn voor de militaire overheid, o.a. voor de controles door de Dienst der Gebouwen.
 
De Jodel Bébé OO-15 werd door Dr. Hubert in Frankrijk gekocht als bouwpakket en in Casteau in elkaar geknutseld. Rechts onderaan Michel Ronveaux. Het toestel is nu eigendom van de luchtvaartafdeling van het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis in Brussel. De foto werd genomen rond 1952-1953. (Archief Michel Ronveaux)
 
Op 24 augustus 1952 werd er een vliegmeeting georganiseerd. De Belgische Luchtmacht verzorgde overvluchten met een formatie Meteors, er waren demonstraties valschermspringen, vluchten met de toestellen van de ACH, enz. Er zouden nu regelmatig vliegmeetings plaatsvinden, tot de sluiting van het vliegveld bij de vestiging van SHAPE. De ACH beschikte hier nu over een moderne infrastructuur, ondermeer een ruime loods, een controletoren, een vergaderzaal en een atelier voor herstellingen. Vrijwel alles zat geïntegreerd in één gebouw. De club telde een twaalftal toestellen waarvan twee Bébé Jodels ter plaatse werden gebouwd en vier zweefvliegtuigen.
 
Voor kinderen werden op Casteau kinkhoestvluchten georganiseerd. Voor een vlucht van een uur op 2.000 meter hoogte betaalden de ouders 400 BEF. Zoals bij vele clubs was de financiële situatie soms precair, maar door de inzet van leden en bestuur hield ze toch het hoofd boven water.
 
Op de vliegmeeting van 30 augustus 1953 werden zweefvliegtuigen gevlogen door Willy Witter, Paul Everard, Van Treck en Yves Van Wambeke. Pierre Charron, monitor van het Nationaal Zweefvliegcentrum, zat aan de stuurknuppel van een Morane 502. Een vliegende vleugel Fauvel werd gevlogen door Franse Jacqueline Leroy.  Albert Van Cotthem, deken van de Belgische luchtvaart, toonde zijn kunnen in een Zlin 381. Dokter Jean-Pierre Gobeaux hield een demonstratie met telegeleide vliegtuigen. Kpt Vl Bodart gaf een solodemonstratie met een Meteor. Ook een team van vier Meteors was te zien boven Casteau met Kpt Vl Bladt als leader.
 
Programmabrochure van de luchtvaartmeeting van augustus 1953. (Archief Michel Ronveaux)
 
De Piper L-4A Cub OO-DON die door de Koninklijke Aero-club aan ACH was geleend, verongelukte op 8 juni 1953 in Temploux. De twee inzittenden kwamen om het leven. De piloot was Michel Delbruyère, zijn passagier Alfred Trécat. Beiden waren geboren en woonachtig in Mons en gingen in Temploux een zweefvliegtuig halen voor zweefvliegdagen in Casteau. Trécat was ook gerant van de bar van Casteau.
 
Adrien Demeure, lid van de Aéro-Club du Hainaut in Casteau, schreef op 6 mei 1954 het Belgisch afstandsrecord voor zweefvliegtuigen op zijn naam met een vlucht van 344 km vanuit Beynes (nabij Versailles).
 
De Piper Cub OO-MOA werd op 4 juli 1954 na een ongeval afgeschreven. In de plaats daarvan kocht de club in april 1955 de Piper J3C-65/L-4J OO-GAC. Op 10 augustus 1955 besliste de club om de OO-ESM aan te kopen voor 85.000 BEF. Deze Aeronca 11AC Chief was vanaf 23 juli 1954 al eigendom van Dr.Hubert, vanaf 27 september 1955 tot 19 januari 1968 werd het toestel eigendom van de ACH.
 
De Piper J3C-65/L-4J OO-GAC van de Aéro-Club du Hainaut met het Amerikaanse militaire inventarisnummer (serial number) nog op de staart. (Archief Michel Ronveaux)
 
Bijna jaarlijks werden er luchtvaartmeetings georganiseerd. Meteor-overvlucht tijdens de meeting van 29 augustus 1954 te Casteau. (Archief Michel Ronveaux)
 
Veel volk op de meeting van 29 augustus 1954 te Casteau. Rechts de controletoren met daarop o.a. de emaillen plaat van de ACH. (Archief Michel Ronveaux)
 
De militaire de Havilland DH82A T2 stortte op zondag 5 augustus 1956 om 19.50 uur na een vrille te pletter op het vliegveld van Casteau. De tweedekker vatte onmiddellijk vuur. De passagier verkoolde. Het was de 57-jarige Etienne Payen uit Mons, ondervoorzitter van de Aéro-Club du Hainaut. De piloot, O/Lt Vl Jean Gouverneur , 24 jaar oud uit Jumet, liep ernstige brandwonde op over heel het lichaam. In de namiddag had het toestel nog zweefvliegtuigen getrokken. Nog voor de leden van de Aéro-Club bij het toestel kwamen met brandblussers hadden twee toeschouwers de zwaar verbrande piloot kunnen bevrijden. De piloot werd naar een ziekenhuis in Jemappes gebracht.
 
Kamp van de Luchtcadetten in Casteau, juli 1957. In de cockpit van de Göppingen Gö 4 ‘Goevier’ herkennen we Paul Everard (met bril). (Archief Michel Ronveaux)
 
Kamp van de Luchtcadetten in Casteau, juli 1957. De Castel 24 Casoar werd gebouwd in 1937 door Cartex in Toulouse. Het was een tandem tweezitter met een span van 18m. (Archief Michel Ronveaux)
 
Majoor Ronveaux in een Fauvel, Casteau 1957. (Archief Michel Ronveaux)
 
Voorstelling van de Cessna 310 OO-CUC van Sobelair, juli 1957. (Archief Michel Ronveaux)
 
Op 1 mei 1958 gebeurde een ongeval met de Tiger Moth OO-EVI, een toestel dat geen geldig luchtwaardigheidsbewijs had. Omdat er toch verschillende vluchten met dat toestel waren uitgevoerd werd de vergunning van het vliegveld vanaf 3 mei 1958 een tijdlang ingetrokken door directeur-generaal Nottet van het Bestuur der Luchtvaart.
 
Op 13 nov 1958 stelde de Fédération des Club Belges d’Aviation de Tourisme de Auster AOP Mk.6 OO-FDA voor onbepaalde tijd ter beschikking van de Aéro-Club du Hainaut. Officieel werd de Auster pas op 25 september 1958 in Casteau in gebruik genomen.
 
De Auster AOP Mk.6 (ex Belgische Krijgsmacht A-3) OO-FDA die door de Fédération des Clubs belges d'Aviation asbl ter beschikking was gesteld van de Aéro-Club du Hainaut. De foto werd genomen in Grimbergen. (Foto Guy Viselé)
 
De Tour Aérien de Belgique 1959 vertrok op 12 september op het vliegveld van Grimbergen. Vandaar ging het naar het vliegveld van Schaffen (de gasten werden onthaald in een tot clubhuis omgebouwde romp van een DC-3) en eindpunt die dag was Het Zoute (voor het definitief zou sluiten). Op 13 september vertrokken de deelnemers van Het Zoute naar Gossoncourt, echter niet zonder een ommetje te maken via Casteau. De laatste etappe bracht de gasten naar Deurne.
 
Ook in 1960 werd een Tour Aérien de Belgique georganiseerd. Op zaterdag 17 juni was het verzamelen geblazen op het Grimbergse vliegveld. Diezelfde dag ging het verder naar Gossoncourt, Balen, Spa en Saint-Hubert. Op zondag vlogen de toestellen dan naar Temploux, Casteau, Aalst, Gent om uiteindelijk aan te komen in Deurne.
 
Zondag 4 september 1960 van dat jaar werd weer een luchtvaartmeeting gehouden in Casteau. De meeting werd georganiseerd ten voordele van militaire en burgerslachtoffers van de dramatische gebeurtenissen in Congo. Duizenden toeschouwers kwamen naar Casteau. Eerst kwamen er zwevers en lichte vliegtuigen van de Luchtmacht en van de Club. Adj Vl Janssens deed rond 15.20 uur acro met een SV-4. Monitor Jordens van de Antwerp Aviation Club demonstreerde een Chipmunk. Adj Janssens en Adj Haway simuleerden een luchtgevecht met SV-4’s, gevolgd door acro met een zweefvliegtuig. Bernard Neefs, hoofd testpiloot van Fairey, was van de partij met een Tipsy Nipper. Dieu, testpiloot van Sabca, vloog met de Stampe en Renard Monitor. Negen toestellen van het 15e smaldeel van het lichte vliegwezen werden voorgevlogen. Ook Majoor Bladt en zijn Rode Duivels zorgden voor spektakel. De meeting werd afgesloten door een vrije val van de bekende parachutist Tony Goossens.
 
Een zeldzame bezoeker van Casteau was de rode Fairchild (F-BENN) van het Franse St.Ralite Air-travaux die op 8 september 1961 landde. Het toestel vloog van Lille naar Gosselies maar moest omwille van het slechte weer uitwijken naar Casteau. Een dag later is piloot Georges Lissart terug opgestegen.
 
Casteau werd in de zestiger jaren intensief gebruikt voor valschermspringen, scholing voor motorvliegen en zweefvliegen.
 
In 1965 vertrok de Rallye Aérien National de Belgique vanop Casteau. Maar liefst 44 bemanningen hadden zich ingeschreven.
 
Andere motorvliegtuigen die in de jaren vijftig en zestig actief waren op Casteau: Aeronca 11AC Chief OO-TWT, Auster J/1 Autocrat OO-ARY, Auster J/1 Autocrat OO-AVE, Auster J/1 Autocrat OO-DJM, de Havilland DH.82A Tiger Moth OO-DLA, Druine D31 Turbulent OO-13, Reims Cessna F172G OO-SEP, Reims Cessna F172G OO-SEP, SAN D140R Abeille OO-VVL, SAN D140R Abeille OO-VVL, Taylorcraft Plus D OO-YES en Wassmer D120A Paris‑Nice OO‑FDM.
 
Enkele zweefvliegtuigen die in de jaren vijftig en zestig actief waren op Casteau: Grunau Baby OO-ZPY, Schempp-Hirth Standard Austria S OO-ZLI, Schleicher Ka4 Rhönlerche II OO-ZUD (op 17 maart 1963 mid-air collision met de OO-ACB in Casteau), Schleicher Ka7 Rhönadler OO-ZUM, SZD-22C Mucha Standard OO-ZUD, SZD-24C Foka I OO-ZJL en SZD‑24C Foka IV OO‑ZLA.
 
De beslissing van 13 september 1966 van de NAVO om SHAPE in het 220 ha grootte terrein van Casteau onder te brengen betekende het einde van het vliegveld. Op 8 oktober 1966 werd op Casteau een afscheidsfeestje gehouden voor de leden van de vliegclub. Ook mevrouw Habaru, toen nog de concièrge van de ACH en officieel de enige bewoonster van het terrein, moest dit nu ook verlaten. Piloten zochten plaatsen voor hun vliegtuigen in Gent, Wevelgem, Saint-Hubert, enz. Even was er hoop toen een nieuwe locatie voor een vliegveld werd gevonden in Ghlin (Bois-Brûlé), maar dat is een ander verhaal.
 
Tot en met 1966 werden er officieel vliegtuigen ingeschreven met basis Casteau.  Aéro-Club du Hainaut verhuisde haar zweefactiviteiten blijkbaar naar Maubray waar ze waarschijnlijk haar identiteit min of meer verloor en langzaam door Tournai Air Club asbl (opgericht in december 1963) werd opgeslorpt.
 
Dit emaillen bord hing op het torengebouw van de loods van de ACH. (Archief Michel Ronveaux)
Op 23 mei 1978 vroeg Pierre Mertens in naam van SHAPE Flying Association een toelating aan om een sportterrein van de basis te gebruiken als tijdelijk vliegveld. Dat werd niet toegestaan omwille van de te korte landingsbaan. De enige landingsplaats is nu nog het Casteau Helipad EBCH.
 
Officieel bleef de Aéro-Club du Hainaut bestaan en regelmatig verschenen verslagen van de algemene vergadering in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad. Pas op 31 januari 2010 werd de club officieel ontbonden.
 
Frans Van Humbeek
 
Ik wens volgende personen te danken voor hun belangrijke bijdrage in het onderzoek:
Jean-Pierre Decock, Stéphane Descamps, André Faehrès, Johan Kieckens, Jean-Pierre Lauwers, Michel Ronveaux, Bert sr. Schmelzer, Guy Viselé en Luc Wittemans. Vooral Stéphane Descamps en André Faehrès hadden in het verleden al heel wat onderzoek verricht over Casteau. Ook dank aan Adj Peter Dewael (Planning, Coordination & Media Comopsair).
Publicaties: L’Année Aéronautique Belge 1911, 1912 & 1958 (Bracke en Van Heirweghe), La Conquête de l’Air, Interface (Avril & Septembre 2011), Chronique de Casteau (Stéphane Descamps). 
Informatie en feedback over Casteau blijft welkom.