-A A +A

Dolembreux, over vliegtuigen en paarden

Dolembreux, 28 december 2016. Dolembreux is een deelgemeente van Sprimont en ligt in de provincie Luik, zo’n 15 kilometer ten zuiden van de stad Luik. Zowat halverwege op de N30 tussen Beaufays en Sprimont, ging Hangar Flying een kijkje nemen in de sympathieke manege van Jean-Frédéric Magis. Hoewel de paardensport ons wel kan boeien, waren we toch vooral gekomen om de geschiedenis op te snorren van het voormalige vliegveld van Dolembreux. Volgens sommige bronnen werd hier al op 15 september 1944 voor enkele dagen een terrein in gebruik genomen voor lichte observatie- en verbindingsvliegtuigen van de US Army.
 
Luchtfoto van het vliegveld van Dolembreux, 21 november 1956. De luchthavengebouwen en de landingsbaan zijn duidelijk zichtbaar. (Foto Ministerie der Openbare Werken)
 
Op 4 september 1954 deelden Joseph Libert en George Foccroulle mee dat het vliegveld geopend was voor de toerismeluchtvaart. Joseph Libert was in 1928 ingedeeld bij de Militaire Luchtvaart, hij begon als leerling piloot en behaalde zijn brevet als piloot. In de loop van 1937 tekende hij een jaarcontract als burgerpiloot bij Sabena. In 1938 vervoegde hij terug de Militaire Luchtvaart. Hij verliet opnieuw defensie in 1947 en begon zich als instructeur toe te leggen op de vorming van burgerpiloten. George Foccroulle was landbouwer en eigenaar van het terrein waarop het vliegveld werd aangelegd. Joseph en Georges werden de grote bezielers van het vliegveld van Dolembreux.   
 
Recente luchtfoto van de locatie van het vliegveld van Dolembreux. (Foto Google Maps)
 
Er lag een oostwestelijk georiënteerde graspiste van 300 meter. De baan mocht gebruikt worden voor toestellen onder de 660 kilo. Olie en brandstof waren ter beschikking, in de buurt waren twee excellente hotel-restaurants. Met het openbaar vervoer kon je op een half uur naar Luik. Aan piloten werd geadviseerd om niet hoger dan 2.000 voet te vliegen omwille van de militaire activiteiten op Bierset. Dolembreux had een loods voor enkele Piper Cubs, die was al zeer snel na de opening van het vliegveld in gebruik genomen. De loods wordt anno 2016 gebruikt als paardenstal, op de afgebeelde oude postkaart van Dolembreux staat ze nog als vliegtuigloods.  
 
Officieel opende men het vliegveld met een vliegmeeting op 19 september 1954. Een van de invités was Albert Van Cothem, ‘deken van de Belgische luchtvaart.’ Die dag om 16 uur zegende Monseigneur Eugène Leroux de vliegtuigen en het vliegveld. Misschien minder religieus maar minstens even aantrekkelijk was de defilé van knappe modellen die de laatste badmode presenteerden.
 
Het vliegveld van Dolembreux, rond 1955. (Archief Joseph Libert)
 
In 1954 had de overheid al te kennen gegeven dat er in Neuville een toerismevliegveld zou aangelegd worden, op kosten van de staat, omdat het vliegveld van Bierset niet langer voor de sportvliegerij zou kunnen gebruikt worden. Er was sprake van de aanleg van een veld met twee banen van zo’n 600 meter, een clubhuis en een loods. Het leek zo klaar als een klontje dat het privé-initiatief van Dolembreux zou worden opgeofferd voor een door de staat bekostigd vliegveld. 
 
De eerste club die in Dolembreux actief was, was de Aéro-Club liégeois asbl, opgericht op 15 januari 1955 door voorzitter Victor Bouteille (uit Chênée.) De ondervoorzitter was Marcel Brisbois (Wandre.) Catherine Valentin, echtgenote van Victor Bouteille, werd penningmeester. Voorts was ook Léopold Thirifays een van de bestuurders, een hoteleigenaar in Haye-des-Chênes. De zetel van de club was gevestigd op het vliegveld van Dolembreux maar de vereniging had geen eigen vliegtuigen.
 
Van 15 april 1955 tot 6 november 1956 was de Tipsy B OO-DAU van M. Schneider in Dolembreux
gebaseerd. Op 22 mei 1966 zou de Tipsy aan zijn einde komen in Spa.
 
Vooraan Joseph Libert, klaar voor een luchtdoop. (Archief Joseph Libert)
 
Victor Hubinon (°24 april 1924, 8 januari 1979) was een regelmatige gast in Dolembreux. In eerste instantie zegt de naam u misschien niet veel, dat verandert als ik zeg dat hij een van de coauteurs was van de eerste 40 stripverhalen van Buck Danny, toch wel een icoon dus uit onze kindertijd. Hubinon woonde in Angleur, niet ver van het centrum van de stad Luik. Voor de Tweede Wereldoorlog studeerde hij in de school voor schone kunsten in Luik. Tijdens de Duitse bezetting vluchtte hij naar Groot-Brittannië en vocht er aan de zijde van de geallieerden. Na de oorlog ging hij ondermeer als tekenaar werken voor het dagblad La Meuse. In 1946 richtte Georges Troisfontaines het persagentschap World Press op, Hubinon ging er werken en ontmoette daar de striptekenaar en scenarist Jean-Michel Charlier met wie hij enkele strips maakte. Samen met Troisfontaines bedacht Hubinon een nieuwe strip over de Amerikaanse US Air Force-piloot Buck Danny. Aanvankelijk schreef Troisfontaines het scenario, maar al snel nam Charlier dit karwei over. Omdat Hubinon moeite had met de technische tekeningen van vliegtuigen, werd hij volgens sommige bronnen hierin enkele jaren gesteund door Charlier. Na een paar jaar nam Hubinon dan dit tekenwerk over. Om deskundig te kunnen schrijven en tekenen over de luchtvaart haalden zowel Charlier als Hubinon in 1947 een brevet van beroepspiloot en dat in een periode waarin ze financieel niet erg sterk stonden. De liefde voor de luchtvaart was echter groot.
 
De strip Buck Danny werd een bestseller en Hubinon werd de meester van de luchtvaartstrip. Hij werkte ondertussen ook aan andere strips die echter minder beroemd werden maar toch zeer sterke verhalen waren (Roodbaard, Het Meeuwtje, …) Hij verdiende goed zijn brood met zijn tekenwerk. Volgens sommige bronnen kwam hij meestal naar Dolembreux met zijn Porsche. Hij bezat er ook een eigen vliegtuig.
 
Eerst baseerde hij de Auster J/2 Arrow OO-ABX op Dolembreux, op zijn naam geregistreerd van 8 september 1954 tot 14 december 1954. Hij wisselde het toestel voor de Piper J3C-65/L-4J Cub OO-AVU die vanaf 28 december 1954 op zijn naam wordt ingeschreven. Op 4 februari 1955 wordt de Cub geregistreerd op naam van G. Mathieu, ook met basis Dolembreux. Op 5 juni 1955 loopt deze Piper  Cub OO-AVU schade op in Dolembreux maar piloot Charlier en zijn passagier zijn gelukkig ongedeerd. Vanaf 20 mei 1955 wordt het toestel op Spa gebaseerd waar het op 25 mei 1958 crasht. De piloot kwam om het leven. Volgens sommige getuigen maakte Hubinon ook tekeningen in het interieur van de bar van Dolembreux, spijtig genoeg hebben we daar niks van terug gevonden.  
 
De Tipsy Junior OO-TIT van L. Levaux werd van 26 april 1955 tot 4 augustus 1955 ingeschreven met  standplaats Dolembreux.
 
Dolembreux rond 1955. Merk de bijgetekende B-17. Volgens onze informatie crashte er tijdens WOII geen B-17 in Dolembreux. Is het een verwijzing naar de B-17G 42-39941 Lucky Lady II van 452BG 731BS  die op 12 mei 1944 neerkwam in Remouchamps, op amper 10 kilometer ten zuidoosten van het vliegveld? (Archief Frans Van Humbeek)
 
De Jodel D-9 OO-14 komt op 20 juli 1955 ongelukkig in aanraking met een afsluiting rond het vliegveld, maar veel schade is er niet.
 
Vanaf 1 september 1955 werd de exploitatie van het vliegveld van Dolembreux overgenomen door Victor Bouteille. Het Bestuur der Luchtvaart vroeg hem om de exploitatievergunning op naam te zetten van de Aéro-Club de La Haye-des-Chênes asbl. Vermoedelijk had Victor Bouteille de documenten persoonlijk naar het Bestuur der Luchtvaart gestuurd maar had hij toen al de intentie om de nieuwe club de exploitatie te laten overnemen. De Aéro-Club de La Haye-des-Chênes asbl werd officieel opgericht op 30 november 1955. Catherine Valentin, echtgenote van Victor Bouteille, werd als voorzitter benoemd, waarschijnlijk omdat Victor zelf al voorzitter was van de Aéro-Club liégeois. De ondervoorzitter werd Armand Dethier (Liège) en Paul Delvaux (Liège) kreeg een functie als penningmeester.
 
De nieuwe exploitatievergunning van juli 1956 van de Aéro-Club de La Haye-des-Chênes spreekt over een terrein van 550m x 60m met een startbaan van 400m x 40m (QFU 089/269,) gelegen op 260 m hoogte, voor toestellen van minder dan 1.000 kg.
 
De ex-Cogea Piper J3C-65 Cub OO-GEC is het enige clubtoestel van de Aéro Club de La Haye-des-Chênes, en werd ingeschreven in Dolembreux op 22 juni 1956. Mainguet en Vermeiren zijn namen van instructeurs die vernoemd werden door getuigen.  
 
De Jodel Cub OO-THY crashte op 9 augustus 1957 om 20 uur vijf kilometer ten noordoosten van het centrum van Dolembreux, in Gomzé-Andoumont, zo’n 500 meter van het vliegveld van Dolembreux. De piloot en zijn passagier kwamen om het leven, de Jodel was totaal vernield. Op het moment dat piloot dokter Georges Lebrun uit Awans wou terugkeren naar het vliegveld moet hij de controle over het toestel hebben verloren. Zijn passagier Albert Donnay was ook afkomstig van Awans. Victor Bouteille was luchthavencommandant op het moment van het ongeval. Hij verklaarde dat het vliegveld gesloten was op het ogenblijk van het ongeval, het toestel had dus niet mogen vertrekken.
 
Het dodelijke ongeval van de Jodel D11 OO-THY op 9 augustus 1957 nabij het vliegveld van Dolembreux. Op 20 juli 1955 had het toestel al eens een voorzorgslanding gemaakt nabij het vliegveld. (Archief Frans Van Humbeek)    
 
Volgens sommige bronnen zou het ongeval ook de doodsteek zijn geweest voor het vliegveld van Dolembreux. Een getuige verklaarde wel dat hij in 1958 nog een kinkhoestvlucht had gemaakt vanop Dolembreux met een Piper Cub. Kinderen met kinkhoest werden in die tijd meegenomen met een sportvliegtuig, de vlucht op ‘grote hoogte’ had een helende werking. Het Bestuur der Luchtvaart vroeg eind maart 1958 informatie over het vliegveld maar daarop werd niet gereageerd. We mogen dus aannemen dat de exploitatievergunning in april 1958 werd ingetrokken, niettegenstaande het feit dat het clubvliegtuig OO-GEC nog tot 14 juli 1959 was ingeschreven met als thuisbasis Dolembreux, daarna verhuisde het naar de Royal Antwerp Aviation Club (RAAC) vzw.
 
Het vroegere vliegveld van Dolembreux is nu het Centre Equestre De Dolembreux, Haie des Chênes 12. (Foto Frans Van Humbeek)
 
Met dank aan Michel Huart, Jean-Frédéric Magis, Luc Wittemans, Aeronews en het Algemeen Rijksarchief.
 
Frans Van Humbeek